Afgelopen zaterdag, 29 maart 2008, in de Antwerpse Bourlaschouwburg hebben familie en vrienden afscheid genomen van Hugo Claus die op 19 maart voor euthanasie had gekozen om de Alzheimer de pas af te snijden. Tijdens de plechtigheid, die werd bijgewoond door tal van prominenten uit de artistieke en de politieke wereld en die live werd uitgezonden, droeg Jef Lambrechts, goede vriend, journalist en amateur-ornitoloog een karakterschets van Claus voor. Het was een combinatie van de persoon Lambrechts en zijn ingehouden, kalme voordracht, de solemniteit van de bijeenkomst en zeker de schoonheid van het volgende die mij zeer raakte.
Het is Nieuwjaar.
Claus loopt door de lange gang naar de glazen deur.
Lichtvoetig, kattenkwaad in de ogen.
Een danser, een filmster op de rode loper, een speelvogel.
Het is zijn laatste Nieuwjaar en hij ziet het helemaal zitten.
Hij wuift.
‘Sterf, terwijl je zoals altijd staat te groeten’,
Zo staat het in zijn laatste bundel.
Hij kende iets van groeten. Als Claus op de affiche stond liepen de zalen vol. En telkens genoot hij. Hij was een wielergod. Het ‘Verdriet van België’ prijkt in menige voorkamer tussen het porselein in de vitrinekast. Een bijbel over het verdrietig land dat hij beminde. Een liefde met verdriet.
‘Ik ben de meest gelauwerde. Gelukkig ben ik ook de meest gehoonde’, vond hij.
Hij speelde met de recensenten als een kat met een bolletje wol. Hij hield van katten. Van hun geveinsde onverschilligheid. Van hun ontembare eigenzinnigheid. Hun soevereiniteit. ‘Il nomme un chat un tigre’, constateerde Arrabal. Thuis volgde hij het parcours van Moshe met dezelfde aandacht als het gesprek aan tafel. Hij herkende in de huiskamerleeuw het raadselachtige, de paradox, de essentie van zijn bestaan. Moshe was een bondgenoot.
Maar, zei hij dan, het slimste dier is de parkiet.
Een mooie vogel met een gezonde libido en het verstand van een kind van vier. Bijna zo uitzonderlijk als Hugo.
Parkieten niezen en ze geeuwen als ze het benauwd krijgen of moe zijn. Als hij ja knikt is hij blij. Als hij zijn vleugels optilt heeft hij het te warm.
Als hij ze uitstrekt wil hij indruk maken. Hij poetst zijn veren maar verdeelt ook het vet zodat de regen hem niet deert.
Hugo was ijdel en mooi, maar keek in de spiegel om de onbekende te zien. Hij wist dat er geen twee waren als hij. En dat er meer waren dan twee die huisden in zijn vel. En hij zag zoveel méér.
De parkiet is een talige vogel.
Sparkie Williams, de Sinatra van de fauna, kende meer zinnetjes dan er dagen zijn in het jaar. Hij verkocht voor zijn dood twintigduizend platen. Zo’n dingen wist hij, althans ze verheugden hem.
Verdwaalde parkieten vinden hun weg terug door het adres of het telefoonnummer te zeggen.
Hugo vergat soms waar hij woonde, maar was een goudmijn van de meest onverwachte kennis. En net als de parkiet kon hij de wereld zien uit vogelperspectief.
Hij trekt de glazen deur open, struikelt haast, lacht, zegt iets in het West-Vlaams en vraagt: ‘hoe gaat het?’, nog voor hij kust.
We eten mosselen in de schaduw van de kathedraal.
Niemand komt op de naam van de actrice die een bijrol speelt in een film van een tijd geleden. Als het gesprek al lang een andere wending heeft genomen, verrast Hugo het gezelschap. Mia Farrow!
Als hij het niet wist, wie dan wel?
Hij wist alles van de film. En van literatuur natuurlijk. En van schilderkunst. En van de wereld.
In de vrije natuur is de parkiet een trekvogel die het milde klimaat opzoekt. Ofschoon afkomstig uit de droge gebieden van Australië, aardt hij overal. De natuur laat de vogel even onverschillig als de meester, die zei: als ik voor de Rocky Mountains sta, heb ik ze al in cinemascope gezien.
Net als de bonte trekvogel hield de schrijver van Las Vegas en van afwisseling. Hij verhuisde rusteloos naar telkens weer andere nesten.
De parkiet is allergisch voor schadelijke gassen. Hugo was dat voor moerasdampen.
Keizer Augustus had een parkiet die hem groette met ‘Ave, Caesar, Victor Imperator’. Voor het geval Marcus Antonius had gewonnen in 29 voor Christus, was er een andere parkiet. Hugo, met je Romeinse profiel, hoe moeten wij je groeten?
Parkieten en politiek.
Er wordt gezegd dat je niet wilde leven onder de nieuwe regering.
Er is controverse over je laatste daad. Er zijn zoveel geruchten. Maar je hield van verwarring.
De vogel had beslist nog andere eigenschappen die je bevielen. Zijn voorkeur voor vers rood vlees of zijn vermogen om de mens naar zijn pijpen te doen dansen. En de suggestie dat Eva in het paradijs niet door een ‘serpent’ maar door een ‘parkiet’ werd verleid tot de beet in de noodlottige appel. Parkieten verkiezen vers fruit als er geen rood vlees is.
Frietjes bij de mosselen.
Voor de parkiet de wereld veroverde waren kraaien de sprekende vogels van het oude continent. Maar op je schouder zat een raaf. Die ging niet meer weg en roofde af en toe een woord uit je mond.
De vogel zat al een tijd te zwijgen en te pikken. De schrijver, die van raadsels hield en van spelletjes, vond hem eerst een plaaggeest en benaderde hem met list. Maar de raaf komt, als hij al praat, niet veel verder dan ‘hallo’ en werd brutaler en sterker van elk gestolen woord.
En toen de zwarte vogel, in een schouwburg zoals deze, een volledig gedicht wegritste, dacht je aan de dodelijke eenzaamheid van de oude Friedrich Hölderlin in zijn toren aan de Neckar. Het was als de knal van een nekschot.
De raaf stal uiteindelijk je uurwerk en je pen, fladderde voor je voeten en hinderde je stap. De dichter werd weer schilder.
…
‘Geen is voor het leven gemaakt die bang is om te sterven’.
Het woord van Theodore Roosevelt had van Claus kunnen zijn, zeker met wat erop volgde: ‘geen is voor de dood geschikt, die terugschrok voor de plicht en het plezier’.
Je wilde niet ten onder gaan, niet capituleren, niet plooien.
Je citeerde Aragon:
‘sa vie est un étrange et douloureux divorce’.
Je beraamde je laatste zet en je laatste feesten.
Je wilde geen misbaar en nog minder tranen, tenzij van het lachen.
En bij het einde van de avond stonden ze aan de deur, Veerle en Hugo, in het warme licht van binnen, en hij wuifde.
De vrienden bedankten en lichtten hun hoed.
Veerle bleef en de lucht was blauw, die laatste dagen.
Ze herlazen het laatste gedicht van Rilke, ‘Komm du, du Letzter’,
…
Bin ich es nog, der da unkenntlich brennt?
Erinnerungen reiss ich nicht herein.
O Leben, Leben: Draussensein.
Und ich in Lohe. Niemand der mich kennt.
Hugo heeft zich omgedraaid. Hij is naar binnen.
We zien zijn imposante ruggen.
Van ‘kleine reeks’ tot ‘In geval van nood’. Bijna één dichtbundel voor elk van zijn levensjaren.
Een kleine driehonderd ruggen met titels die iedereen kent en die verraden dat ze raadsels bevatten.
En dan het tedere afscheid.
Het moment van sprakeloosheid, dat jij, Hugo, een heer als steeds,
afbreekt als je met een lachje zegt:
‘Tot ziens’.
En dan stierf je, zingend op de drempel van de lente, en het werd winter.
Oorspronkelijk gepost op 3 apr 2008, 00:08 op Hyves
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten